MENU

Boekpresentatie 14 april 2017

Wat leer je eigenlijk uit een woordenboek? Bij een Engels-Nederlands woordenboek is het nog duidelijk: je legt de betekenis van Engelse woorden uit in Nederlandse woorden. Maar wat te denken van een Nederlands woordenboek? Het is een gek ding: hierin zijn alle woorden uit de Nederlandse taal uitgelegd in woorden… uit de Nederlandse taal.

Stel je neemt een willekeurig woord. Je zoekt de betekenis op in het woordenboek. Alle woorden die daarbij gebruikt zijn, zoek je ook weer op. Enzovoort en zo verder. Uiteindelijk ga je cirkeltjes draaien.

Als je op zoek gaat naar betekenis, dan is een woordenboek op z’n best een tussenstation. Hoe dik de Van Dale ook is, het kan nooit het fundament vormen onder de Nederlandse taal. Je hebt er alleen wat aan als je al een beginnetje hebt, als je al een behoorlijk aantal woorden begrijpt. Maar hoe ben je daar dan aan gekomen? Wat we zoeken is de uitgang uit het woordenboek, iets wat eraan vooraf gaat, een uitgangspunt voor de taal.

~

Dit is één manier om de zoektocht van de taalfilosofie in te leiden. Ik heb er inmiddels een aantal, en soms trek ik de ene kaart, dan weer een andere. Het aardige van deze inleiding is dat ze de cirkelstructuur laat zien waar de taalfilosofie zelf ook in verwikkeld is: taal is niet alleen het onderwerp, taal is ook het instrument. Niet alleen hetgeen uitgelegd moet worden, maar ook waarin we het dan uitleggen. Tegelijk het definiendum en het definiens.

Maar dat kan toch helemaal niet?! Heeft Baron Von Münchhausen zich aan zijn eigen haren het moeras uitgetrokken? Nee natuurlijk! Toch is het zoiets waar we in de taalfilosofie op uit zijn. Ik waarschuw maar vast: bij het lezen van mijn boek kan het je gaan duizelen.

Nou wil ik hier niet mijn hele boek uitleggen, maar zal het bij de titel houden: ‹Als dan dus daarom›. Vier woorden waarmee we redeneren.

~

In december zat ik ergens aan een lunchtafel en het gesprek ging over vuurwerk. De mannen zochten een manier om op te scheppen over hun eigen ondeugden van weleer zonder hun zoons het verkeerde voorbeeld te geven. Iemand merkte op: ‹Ik las dat mensen met vuurwerkletsel zelf meestal helemaal geen vuurwerk hebben afgestoken. Dus kun je maar beter wel zelf vuurwerk afsteken!› Hij bracht het als een grap, hij wist zelf ook wel dat deze redenering niet klopt. Ik zei: ‹Je draait de als-dan om.›

De premisse is namelijk: ‹Als je vuurwerkletsel hebt, dan is de kans groter dat je zelf geen vuurwerk hebt afgestoken dan wanneer je dat wel hebt gedaan.› De conclusie veronderstelt echter juist het omgekeerde verband: ‹Als je zelf geen vuurwerk afsteekt, dan is de kans groter op vuurwerkletsel.› En dat zegt iets heel anders.

Zelf kreeg ik deze les in de eerste week van mijn studie filosofie, en het is zonder twijfel een van de belangrijkste geweest.

Ander voorbeeld. Stel je maakt een avondwandeling door de stad en passeert het huis van vrienden. ‹Als er geen licht brandt, dan zijn ze niet thuis.› Dat is niet gelijk aan: ‹Als ze niet thuis zijn, dan brandt er geen licht.› Stel nu dat ze gewoon thuis zijn, brandt er dan licht? Volgens de eerste zin wel, maar de laatste vertelt je hier niets over, die zegt alleen iets over het geval dat ze niet thuis zijn. Het laat de mogelijkheid open dat ze wel thuis zijn en er toch geen licht brandt. Ja, wie weet slapen ze al. Daar houdt de eerste zin – ‹als er geen licht brandt, dan zijn ze niet thuis› – geen rekening mee.

Met taal bewegen we van waarneming naar handeling. In dit geval zie je dat er wel of geen licht brandt, je concludeert dat ze wel of niet thuis zijn, en je besluit wel of niet aan te bellen. Taal stelt ons in staat om ons kritisch te verhouden tot deze passage van waarneming naar handeling.

‹Waarom bel je niet gewoon even aan?›
‹Nou, omdat er geen licht brandt.›
‹Ja, dus?›
‹Als er geen licht brandt, dan zijn ze dus niet thuis.›
‹Ik zou toch gewoon nog even aanbellen.›
‹Maar als ze niet thuis zijn, dan hoef je toch ook niet aan te bellen?!›

Zo’n discussie gaat over de redeneringen die we maken. In de als-dan-verbanden maken we die bespreekbaar.

~

Nu kun je je afvragen hoe we aan dit soort verbanden komen, aan die als-dannen. Bedenken we ze ter plekke, god zegene de greep? Of is het een kwestie van ervaring, heb je al zo vaak tevergeefs aangebeld terwijl er geen licht brandde, dat je uiteindelijk toch maar bent gaan geloven in inductie? Of voegt de als-dan niet zozeer iets toe maar legt het iets uit wat er al was, als een papiertje dat je openvouwt, zodat je erachter komt dat de conclusie al besloten lag in de premisse?

Hier bevinden we ons op een taalfilosofische rotonde. Je kunt vrijwel elke taalfilosofische weg inslaan. Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat het woord ‹licht› al inhoudt dat men thuis is. Het impliceert het al, in de als-dan maken we dat enkel expliciet. De benadering is: we kammen de betekenis van de woorden uit, die vlechten we tot zinnen, en die verknopen we tot logische redeneringen. De vraag is echter: wanneer heb je de betekenis van het woord ‹licht› goed begrepen? Wat betekent dat: ‹licht›? Zo eenvoudig is dat niet. Hoe diep moeten we gaan, moeten we nu de natuurkundige structuur van licht gaan uitpluizen? Moet ik eerst quantummechanica begrijpen om het woord ‹licht› goed te kunnen gebruiken? Is dat nu relevant? Het gaat erom of er lampen aan staan en lampen geven licht – dat is alles!

Aha, dus als iets een lamp is, dan geeft het licht. Ja, mits die aan staat natuurlijk. Maar dit is gewoon een nieuwe als-dan. En kijk, hier begint iets te schemeren: op zoek naar de herkomst van een als-dan, duiken we in de betekenis van de gebruikte woorden, en we komen boven met een volgende als-dan. Dit roept de vraag op: wat was er eerst, die als-dan of die betekenis? Gaan we eerst redeneren en kunnen we daaruit vervolgens een woordenboek destilleren, of hebben we eerst iets van een woordenboek nodig zodat we daarna kunnen redeneren?

~

Voor wie dit gedraai zat is, er is een uitweg. Natuurlijk! De wereld in! Het woord ‹licht› staat voor alle lichtstralen in de wereld. Dat is een hele leuke optie, al loop je het risico dat je nu toch quantummechanica moet bestuderen. Bovendien, nu we het toch over representatie hebben, waarom zouden we niet zeggen dat het licht dat wel of niet achter de ramen te zien is, niet een teken is voor het feit dat die vrienden wel of niet thuis zijn?

Altijd leuk om zo wat te sarren: alles kan symbool staan voor iets anders. Representatie is overal. Een parlementariër vertegenwoordigt mijn stem, de inkt op dit papier drukt mijn gedachten uit en wanneer ik deze tekst uitspreek krijgt het weer een andere vorm, een wit t-shirt aan een stok stelt geweldloze overgave voor, en als je een naald aan één uiteinde op een asje bevestigt, dan geeft die plots de snelheid van je auto weer. Gekkigheid! Wat is het nou eigenlijk, wat is het origineel? Misschien is in de nerven in je parket thuis wel de partituur van de Mattheus Passion te lezen – weet jij veel. Misschien vormen de sproeten op je gezicht wel op een of andere manier een representatie van de Nachtwacht. Je moet alleen de sleutel kennen, je moet het alleen even zien, erop gewezen worden.

Essentieel aan representatie is dat alle informatie mee overkomt, dat als hier iets verandert, dan de representatie daar consistent mee verandert. Toch weer als-dan. Daar kun je niet omheen in de taalfilosofie. Je kunt er betekenis mee uitleggen, zowel in de zin dat ze een instrument vormen om betekenis mee te ontleden, als in de zin dat we diezelfde vorm herkennen in wat we dan vinden. ‹Als-dan en de cirkel van de taalfilosofie› – het zou de titel van een Kuifje-strip kunnen zijn. Ik heb toch een andere titel gekozen, waarin ‹als› en ‹dan› opgevolgd worden door ‹dus› en ‹daarom›.

~

In het boek onderscheid ik de koppeltjes ‹want› en ‹dus›, ‹omdat› en ‹daarom›, en ‹doordat› en ‹daardoor›. Elk koppeltje geeft een bepaalde invulling, een andere kleur aan een als-dan.

Nemen we weer onze voorbeeldzin, dan krijgen we bijvoorbeeld: ‹Er brandt geen licht, dus ze zijn niet thuis.› We hebben bepaalde kennis, namelijk dat er geen licht brandt, dat kunnen we immers zien, en we leiden daar nieuwe kennis uit af, namelijk dat ze niet thuis zijn, ook al hebben we dat niet gezien.

Met het tweede koppel verandert het perspectief: ‹Er brandt geen licht, omdat ze niet thuis zijn.› We verplaatsen ons in die vrienden van ons. Het gaat niet meer om onze kennis, maar om hun handeling. Ze doen het licht aan of uit, en dat doen ze, mogen we hopen, om een bepaalde reden. Ze doen bijvoorbeeld het licht uit wanneer ze het huis verlaten, dat wil zeggen: omdat ze het huis verlaten.

Het derde koppel geeft weer een andere invulling: ‹Er brandt geen licht, doordat ze niet thuis zijn.› Dat is alsof volgens een of andere natuurwet het licht uitgaat juist wanneer die vrienden hun huis verlaten.

Toegegeven, tegenwoordig kan dit alles volautomatisch verlopen via je mobiel en gps en slimme software. Dit systeem merkt op wanneer je het huis verlaat. Maar dat is niet de enige informatie op basis waarvan het in actie komt. De regel dat als je het huis verlaat, dan het licht uit kan, moet eerst aan het systeem meegegeven zijn. Dit is geen informatie die komt van sensoren, het is normatieve informatie, het komt van ons. Dat verliezen we uit het oog wanneer we erover praten in termen van ‹doordat› of ‹daardoor›, wat zorgt voor kortzichtigheid in het enthousiasme over kunstmatige intelligentie, en over onze eigen intelligentie evengoed trouwens.

Het onderscheid tussen de drie typen redeneringen – over kennis, over de verantwoording van ons handelen, en over een causale loop der dingen – is altijd prettig om bij de hand te hebben. Niet alleen in filosofische discussies over, zeg, het subject, maar ook in alledaagse discussies over verantwoordelijkheid. Taalfilosofie gaat niet alleen over taal, niet alleen over het woordenboek. Je kunt het van stal halen bij al ons taalgebruik, of dat nu filosofie is, wetenschap, politiek, een willekeurig gesprek aan de lunchtafel of tijdens een avondwandeling.

~

Dus, als je je hebt afgevraagd waarom ik deze titel heb gekozen, dan hoop ik dat het inmiddels is gaan dagen. Ik weet wat je denkt: ‹O, dus daarom!›